Auteur

Gepubliceerd op 07-06-2019

Op 17 mei 2019 keurde de Vlaamse regering definitief het besluit goed dat de principes van de erkenning en subsidiëring van de zorgraden regelt. De zorgraden moeten op het niveau van de eerstelijnszones de samenwerking tussen lokale besturen, eerstelijnszorgaanbieders, verenigingen van personen met een zorg- en ondersteuningsvraag, mantelzorgverenigingen en vrijwilligersverenigingen realiseren. Op die manier moet de eerstelijnszorg evolueren naar een vraaggestuurde en integrale zorg en ondersteuning van de persoon met een zorg- en ondersteuningsvraag.

Artikel 9 van dat besluit regelt de samenstelling van de zorgraden en de vertegenwoordiging van de verschillende betrokken actoren. Dat zijn de welzijnsactoren, de eerstelijnszorgactoren, de lokale besturen en de verenigingen van personen met een zorg- en ondersteuningsvraag, de erkende verenigingen van gebruikers en mantelzorgers en vrijwilligersverenigingen.

In de ontwerpversie van het besluit waren de OCMW’s opgenomen als één van de welzijnsactoren. Dit is logisch, gezien hun sleutelrol in het lokaal sociaal beleid, het partnerschap in het geïntegreerd breed onthaal, enzovoort. Maar op advies van de Raad van State (advies 65.945/3) schrapte de Vlaamse Regering de OCMW's in die hoedanigheid uit de samenstelling van de zorgraad. De Raad van State redeneert dat de OCMW’s immers al vertegenwoordigd zijn via de lokale besturen.

Met de strikte lezing van het advies van de Raad van State gaat de Vlaamse Regering echter voorbij aan de achterliggende logica om in het ontwerpbesluit de lokale besturen expliciet te vermelden als één van de actoren in de cluster welzijn:

  • In de zorgraad wordt via de welzijnsactoren de link gelegd met het geïntegreerd breed onthaal (GBO), een samenwerkingsverband waarin naast de diensten maatschappelijk werk van de mutualiteiten en de CAW’s ook de sociale diensten van het OCMW een belangrijke rol opnemen. Door het schrappen van de OCMW’s als één van de welzijnsactoren wordt de link met het GBO teniet gedaan en ontstaat er een onevenwicht in de vertegenwoordiging, aangezien de diensten maatschappelijk werk van de mutualiteiten en de CAW’s wel vertegenwoordigd zijn in de cluster welzijn van de zorgraad.
  • Het schrappen van de OCMW’s in de cluster welzijn gaat voorbij aan de filosofie dat het lokaal bestuur enerzijds de regie opneemt van het lokaal sociaal beleid en anderzijds ook kan optreden als actor in zorg en welzijn. Dat laatste uit zich onder andere via de diensten gezinszorg en woonzorgcentra uitgebaat door het lokaal bestuur, maar ook via hun sociale diensten. De functies van regie en actor binnen het lokaal bestuur moeten onafhankelijk van elkaar staan, om die reden zijn in de cluster “lokaal bestuur” van de zorgraad de lokale besturen vertegenwoordigd vanuit hun regierol (art. 9, § 2, 3°). Vanuit hun actorrol moeten ze vertegenwoordigd zijn in de cluster welzijnsactoren (art. 9, § 2, 1°). Stellen dat deze vertegenwoordiging kan verlopen via het woonzorgcentrum of de dienst voor gezinszorg, is niet correct. Dat gaat voorbij aan het feit dat niet alle lokale besturen eigen zorgdiensten hebben én aan de belangrijke rol die de sociale diensten spelen in het lokaal welzijnsbeleid. Lokale besturen die geen woonzorgvoorzieningen hebben, zullen niet vertegenwoordigd zijn in de cluster welzijn. Het lokaal bestuur wordt op die manier verengd tot haar regierol en de Vlaamse Regering miskent zo de essentiële rol die lokale besturen opnemen in het lokaal welzijnsbeleid. Hiermee gaat de Vlaamse Regering lijnrecht in tegen de filosofie van haar eigen decreet lokaal sociaal beleid en het geïntegreerd breed onthaal.

We brachten de afgelopen week de Vlaams minister van welzijn Jo Vandeurzen op de hoogte van de gevolgen van deze beslissing. We formuleerden de verwachting dat er vanuit het Vlaamse beleid een duidelijk signaal moet komen dat het belang van de lokale besturen en hun werking onderstreept, alsook de betrokkenheid van het lokaal bestuur in de cluster welzijn. Enkel op deze manier zullen lokale besturen samen met alle andere eerstelijnsactoren echt werk kunnen maken van een geïntegreerde en integrale zorg en ondersteuning voor personen met een zorg- en ondersteuningsvraag.

Rika Verpoorten