Sinds 1 januari 2002 zijn de gewesten bevoegd voor de reglementering met betrekking tot de begraafplaatsen en de lijkbezorging. De Vlaamse overheid heeft in het decreet van 16 januari 2004 een kader vastgelegd waarbinnen de gemeenten een regelgeving, aangepast aan hun lokale eigenheid, kunnen opstellen.

De Vlaamse reglementering voorziet zo onder meer bepalingen aangaande de manieren en de modaliteiten van de lijkbezorging, het verlenen en het onderhoud van concessies, bepalingen aangaande de opgraving en de herbegraving, allerhande voorwaarden waaraan doodskisten, crematie, de oprichting en het beheer van een crematorium moeten voldoen.

De concrete invulling van het kader wordt geregeld door gemeentelijke reglementen.

Het decreet van 16 januari 2004 werd door de jaren heen reeds diverse malen gewijzigd om op deze manier een antwoord te kunnen bieden op de steeds toenemende vraag van nabestaanden en van overledenen (via de laatste wilsbeschikking en het uitvaartcontract) om een meer persoonlijke invulling te kunnen geven aan het afscheid van geliefden.

Zo werd onder meer voorzien in bijkomende wijzen van asbestemming (asbewaring thuis, fractie van as meenemen, asverstrooiing in waterlopen) en in de uitbreiding van de keuzemogelijkheden van de laatste wilsbeschikking.

Recent werd er initiatief genomen om enkele bepalingen van het decreet van 16 januari 2004 opnieuw ter discussie te stellen.

De conceptnota betreffende de verdere actualisering van de regelgeving met betrekking tot de begraafplaatsen en de lijkbezorging dd. 2 oktober werd besproken in de hoorzitting van het Vlaams Parlement op 26 maart 2019.